processie van Gregoriusprocessie van Gregorius2

Paus Gregorius, achterkleinzoon van paus Felix III, was een telg uit een voorname Romeinse familie. Hij werd vroom opgevoed (zijn moeder was de Heilige Silvia), kreeg een belangrijke publieke functie, maar besloot monnik te worden en maakte van zijn familiepaleis een klooster. Hij wilde het liefst een teruggetrokken leven leiden, maar dat was hem niet gegund. Aan het eind van de zesde eeuw verkeerde zowel de stad Rome als het pauselijk gezag in een diepe crisis. Overstromingen, ziekten en oorlogsgeweld teisterden de stad. In 590 stierf paus Pelagius II aan de pest gedurende een epidemie die de hele Romeinse bevolking dreigde uit te roeien. Tegen wil en dank werd Gregorius zijn opvolger. Zijn eerste taak was het bedwingen van de pest. Hij deed wat middeleeuwers deden bij elke ramp of bedreiging: hij hield een processie.

In een van de populairste boeken van de Middeleeuwen, de Gouden Legende, staat Gregorius' wanhopige ommegang beschreven en met deze beschrijving als leidraad hebben de gebroeders Van Limburg het hele verhaal tot in detail geschilderd.

Door een poort heeft de stoet de stad verlaten. Met de muren van Aurelianus als achtergrond trekt de processie rond de stad, kruisen, vaandels, bijbels en relieken met zich meevoerend. De epidemie woedt nog in alle hevigheid voort. Een priester en een monnik storten voor onze ogen ter aarde. Een kind ligt stervend op de grond, een moeder ziet asgrauw en moet worden ondersteund. De paus, gevolgd door zijn kardinalen, heft zijn handen ten hemel en smeekt om genade voor zijn stad en zijn volk. Dan gebeurt een wonder: een gouden engel - hij wordt herkend als de aartsengel St.-Michaël - verschijnt op de citadel van de stad, een machtig bolwerk, ooit gebouwd als grafmonument voor keizer Hadrianus. De gelovigen zien dat de aartsengel zijn bebloede zwaard terugsteekt in de schede. Dit is het teken waarop is gewacht: God heeft de gebeden verhoord, de pest is voorbij. Sindsdien heet het voormalige mausoleum van Hadrianus de Engelenburcht.

De gebroeders Van Limburg schilderen Rome hier als een volmaakte metropool. In werkelijkheid was het ten tijde van Gregorius de Grote (ca. 590 na Chr.) 'een spookstad, maar wel een schitterende spookstad; half leeg, geschonden, vernederd'. De bevolking - nog een miljoen zielen in 330 - was teruggelopen tot minder dan 50.000. De uitgeholde metropool werd in leven gehouden door een niet aflatende stroom pelgrims. Het was Gregorius die het gezag van Rome herstelde, die het primaat over het hele christendom opeiste en het alleenrecht van de bisschop van Rome vastlegde om andere bisschoppen te benoemen. Zo had de Eeuwige Stad eindelijk weer een keizer, weliswaar 'zonder diadeem en zonder legioenen', maar met moreel gezag over heel Europa.

sint nicolaas redt zeelieden in noodSint-Nicolaas van Myra (nu Demre in Zuid-Turkije) is al 1700 jaar een van de meest geliefde heiligen van het christendom. Volgens de overlevering was hij vroom vanaf zijn geboorte (ca. 280). Als zuigeling weigerde hij de moederborst op woensdag en vrijdag, de vroegchristelijke vastendagen. Hij werd bekend om zijn liefdadigheid en om de vele wonderen die hij verrichtte ten gunste van de zwakkeren in de samenleving: kinderen, armen, slaven, gevangenen. Ook na zijn dood bleef hij wonderen verrichten, waardoor zijn populariteit maar bleef groeien, vooral in het Byzantijnse Rijk. Veel van die postume wonderen waren reddingen van schepen in nood. Zijn naam als patroon van zeelieden en van veilige havens verspreidde zich over het hele Middellandse-Zeegebied.

In 1087 werden Nicolaas' stoffelijke resten op vrij brute wijze door zeelui uit Bari (Zuid-Italië) uit zijn graftombe in Myra geroofd. Dit soort reliekendiefstallen kwam wel vaker voor en werd - zeker door de daders - niet als een misdaad gezien. Men redeneerde: als de heilige in kwestie niet verplaatst wilde worden, zou hij/zij toch wel ingrijpen?!

In Noord-Europa werd de cultus van Sint-Nicolaas vlak voor het jaar 1000 verspreid door de Byzantijnse prinses Theophano. Vanuit Nijmegen bestuurde zij, na de dood van haar echtgenoot keizer Otto II, op energieke wijze het uitgestrekte Ottoonse Rijk als regent voor haar zoon. De nog steeds bestaande St.-Nicolaaskapel werd niet lang daarna gebouwd en was al eeuwen oud toen de Maelwaels en de Van Limburgs op het Valkhof verkeerden.

De bekendheid van Sint.-Nicolaas bleef in Nijmegen niet beperkt tot het paleis en het hof. In de stad werd een St.-Nicolaasbroederschap opgericht, die aan de Grotestraat een liefdadigheidsinstelling onderhield: het St.-Nicolaasgasthuis.

Nog belangrijker in het middeleeuwse Nijmegen was het Sinterclaesgilde. Dit was geen gilde in de beperkte zin van het woord, maar een koepelorganisatie waarin alle beroepsorganisaties, ambten en broederschappen waren vertegenwoordigd, evenals de rijkere kooplieden. Het Sinterclaesgilde groeide uit tot een democratisch instituut dat de Nijmeegse burgerij vertegenwoordigde en dat eeuwenlang veel invloed had op het stadsbestuur, bijvoorbeeld bij benoemingen en onderhandelingen. Het gilde koos elk jaar zes of acht zogeheten Claesmeesters, die een vooraanstaande plaats innamen in de stad. Pas in 1591 maakte Prins Maurits met één pennenstreek een einde aan de privileges van het Sinterclaesgilde. Deze breuk met een unieke Nijmeegse traditie betekende niet het einde van de populariteit van de naamgever. Tot op de dag van vandaag is Sint-Nicolaas de bekendste sint in Nijmegen. Dat is geen wonder: hij is de enige heilige die nog regelmatig aan de gelovigen verschijnt.

tfile 1301522086

Tot op de dag van vandaag hebben de christelijke kerken officiële duiveluitdrijvers in dienst, een traditie die teruggaat op Christus zelf. Toen Jezus zijn twaalf apostelen aanstelde, gaf Hij ze twee opdrachten: prediken en boze geesten uitdrijven. Zelf dreef Jezus routinematig duivels of onreine geesten uit. De ongelukkigen die in bijbelse tijden door Satan waren bezeten, leefden buiten de maatschappij. Naakt of in vodden gekleed zwierven ze over verlaten grafvelden, gevreesd en gemeden door hun omgeving. Ze waren meestal meervoudig gehandicapt; in het evangelie worden ze beschreven als blind, stom, spastisch of alledrie tegelijk.

Exorcisme was voor de gebroeders Van Limburg niet alleen bijbelse historie. Heel wat aandoeningen, van spierziektes tot hysterie, konden in de Middeleeuwen als bezetenheid worden aangeduid. Ten tijde van de gebroeders Van Limburg leed koning Karel VI, de oom van de hertog van Berry (en enige tijd de werkgever van hun eigen oom Jan Maelwael uit Nijmegen), aan hevige aanvallen van waanzin. Hij moest lange periodes worden opgesloten in een kooi. Dan verviel zijn regeringsmacht aan zijn broers, waaronder de hertogen van Berry, Orléans en Bourgondië, die optraden als regenten. Hun onderlinge machinaties en strijd verzwakte de positie van Frankrijk in de Honderdjarige Oorlog tegen de Engelsen en leidde uiteindelijk tot een burgeroorlog. In haar beroemde roman 'Het woud der verwachting' beschrijft Hella Haasse hoe koning Karels waanzin werd bestreden met duiveluitdrijvingen en eindeloze biechtsessies. De exorcist gebruikte bij zijn worsteling met Satan bij voorkeur de symbolen en attributen van het geloof: het crucifix, gewijde hosties, relikwieën. Soms ging het er harder aan toe. Dan werd de bezetene (vaker een vrouw dan een man) flink afgeranseld of zelfs gemarteld om de duivel te pijnigen en zo te verjagen.

Jezus' bemoeienis met deze 'verworpenen der aarde' wekte in de Middeleeuwen grote bewondering op, maar in Zijn eigen tijd oogstte Hij hoofdzakelijk scepsis en weerstand. Dat is op deze afbeelding goed te zien. In het voorportaal van een tempel is het wonder juist geschied: de duivel, een zwart monstertje met draakachtige trekken, heeft zijn besmeurde, in lompen gehulde slachtoffer verlaten. De omstanders kijken toe met nauw verholen achterdocht. Sommigen van hen zeggen: 'Met hulp van Beëlzebub, de overste der boze geesten, drijft hij de geesten uit...' Jezus weerlegt deze aantijgingen met logische argumenten. Het is bij deze gelegenheid dat Hij tegen Zijn volgelingen de bekende woorden uitspreekt: 'Wie niet met Mij is, is tegen Mij!'

steniging van de h stephanus

Sint-Steven, patroon van Nijmegen, was de eerste christelijke martelaar. Op beschuldiging van godslastering werd hij door joodse fanaten buiten de muren van Jeruzalem gesleept en gestenigd. Deze executie werd gadegeslagen door Saulus (op de afbeelding met zwaard), een Romeins staatsburger van joodse afkomst die niet veel later zelf tot het christendom bekeerd werd en zich onder de naam Paulus ontpopte als een van de meest gedreven verbreiders van het christelijk geloof.

In de Middeleeuwen was de Heilige Stephanus - Sint-Steven - een populaire heilige. Er werden veel kerken aan hem gewijd, waaronder de belangrijkste kerk van Nijmegen, de geboortestad van de gebroeders Van Limburg. De bouw van de Grote of St.-Stevenskerk begon rond 1250 op de zogenaamde Hundisburg, de laatste uitloper van de stuwwal waarop Nijmegen is gebouwd. In 1272 werd de Sint-Steven plechtig ingewijd door Albertus Magnus, wijbisschop van Keulen en de belangrijkste intellectueel van zijn tijd (door zijn geschriften werd het werk van Aristoteles weer beschikbaar en toegankelijk voor verdere studie). Het nieuwe kerkgebouw, dat toen nog lang niet zijn huidige omvang had, werd gesteld onder de bescherming van de H. Maagd en Sint-Stephanus, aan wie ook het hoofdaltaar werd gewijd.

Ruim honderd jaar later zagen Paul, Jan en Herman van Limburg het levenslicht aan de Burchtstraat, op nog geen minuut lopen van de St.-Stevenskerk. Gedrieën waren zij vanaf 1408 eigenaar van een huis nog dichter bij de St.-Steven, aan het St.-Stevenskerkhof. Zelf hebben zij daar nooit gewoond. Het pand was een erfenis van een oudoom uit hun jeugd, een zekere Johan Maelwael, als priester verbonden aan de St.-Stevenskerk. In 1415 schonken de broers het, met al hun andere Nijmeegse bezittingen, aan hun moeder, die nog in Nijmegen woonde.

Genoemde oudoom Johan Maelwael was geen timide man. Hij raakte in conflict met een machtig klooster in de omgeving, waarbij het zelfs tot gewapende schermutselingen kwam. De abt van het klooster wist te bereiken dat Johan door paus Bonifacius IX werd geëxcommuniceerd.

Voor de meeste middeleeuwers was excommunicatie (uitsluiting van de Heilige Sacramenten die noodzakelijk zijn om het eeuwige zielenheil te verwerven) een lot erger dan de dood. Maar Johan Maelwael trok er zich niets van aan. Het was het tijdperk van het Grote Schisma binnen het westerse christendom. Er waren twee concurrerende pausen (even later zelfs drie). Dat maakte het psychologisch mogelijk een pauselijke banvloek te negeren. Maelwael bleef in functie tot zijn dood in 1408.

Deze geschiedenis speelde zich af tussen 1395 en 1400. De gebroeders Van Limburg moeten het hele drama bewust hebben meegemaakt.

val van de opstandige engelenKenmerkend voor het werk van de gebroeders Van Limburg is het gebruik van een bijzonder indringend koloriet. Vooral het intense blauw is haast als een handtekening. Alle kleuren werden in het atelier van de schilders gemaakt met pigmenten die onder hun supervisie werden ingekocht. Het aanmaken van de verfstof was een duur en ingewikkeld proces. Hun befaamde blauw, zo prominent op deze afbeelding van de engelenval, maakten ze van lapis lazuli, een kostbare halfedelsteen uit het Midden-Oosten. De lapis lazuli werd vermalen, met water vochtig gemaakt en dan gebonden met Arabische gom. Zo verkregen ze een emaille-achtig medium dat met behulp van uiterst fijne penseeltjes toch soepel en precies kon worden aangebracht. De dik opgebrachte verfstoffen en het royale gebruik van bladgoud maakten de manuscripten zwaar en behoorlijk volumineus.

Hoe kwamen de engelen, die toch het eeuwige leven hadden en zich konden verheugen in het aanschijn des Heren, op het ongelukkige idee om in opstand te komen tegen God Almachtig, en hoe gebeurde het, vervolgens, dat uit deze zonde alle andere zonden zijn voortgekomen?

Het ging mis toen God de mens schiep. God eiste dat alle engelen zich dienstbaar zouden opstellen aan de mens, die immers was geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Lucifer, aanvoerder van de engelenorde der serafijnen, weigerde. Hij wilde alleen buigen voor God en niet voor Zijn evenbeeld. In diezelfde tijd, vlak na de schepping van de mens, stuurde God beschermengelen naar de aarde om de mensen te onderrichten in een aantal essentiële zaken. Maar de beschermengelen zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren en ze gaven zich over aan hun lusten. Er ontstonden twee kampen en Lucifer deed een greep naar de macht. Dat werd God te gortig. Hij gaf aartsengel Michaël de opdracht met zijn hemelse legerscharen de opstandige engelen te verdrijven. Op de afbeelding zien we het moment dat Lucifer en zijn medestanders vleugellam ter aarde storten, voor eeuwig verdoemd. De hemelen waren nu bevrijd, maar de aarde werd er niet beter op. Lucifer en de zijnen werden verteerd door woede en wraakgevoelens. Vanaf dat moment proberen zij zonder ophouden de mensen te verleiden tot zonde en de verwerping van God.

Deze geschiedenis stamt niet uit de bijbel, maar uit het apocriefe (niet in de bijbel opgenomen) boek Enoch. Van daaruit vond het relaas zijn weg naar de verbeeldingswereld van de Middeleeuwen om uiteindelijk door Dante en Milton zijn definitieve vorm te krijgen.

Pagina 1 van 3

x

fol 150v 151 retuschiert 200x280fol 155v 156 retuschiert 200x280 fol 160v 161 retuschiert 200x280 fol 16 retuschiert 200x280 fol 87v 88 1 retuschiert 200x280

© 2016 Stichting Gebroeders van Limburg

024 3602414

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Postbus 1180, 6501 BD Nijmegen