Gebroeders van Limburg film

Schilderkunst rond 1400

In de Middeleeuwen staat de schilderkunst aanvankelijk in dienst van de beeldhouwkunst. Vrijwel al het houtsnijwerk en veel beeldhouwwerk wordt verguld of gepolychromeerd (gekleurd). In Italië zet de Renaissance in, met schilders als Giotto en de gebroeders Lorenzetti die gebruikmaken van de muurschildering. In Frankrijk en de Lage Landen doet het perkament zijn intrede als drager van schilderingen. De opkomende kunsthandel zorgt ervoor dat schilders elkaars werk leren kennen.

De schilderkunst ondergaat een aantal ontwikkelingen die de Europese traditie bepalen. Emoties worden herkenbaar in gezichten en houdingen, en de figuren worden weergegeven in hun omgeving. Het perspectief doet zijn intrede en originaliteit wordt meer en meer gewaardeerd. Het schildersvak wordt een profaan beroep met meer en meer niet-religieuze opdrachtgevers en onderwerpen.

 

Parijs is rond 1400 het centrum van kunst en kunsthandel. In de stad bevinden zich vele schilders, edelsmeden, borduurwerkers, beeldsnijders, ivoorwerkers en boekverluchters, die kwalitatief hoogstaand werk afleveren. Veelal werken zij in ateliers en werkplaatsen in de stad, in opdracht van de adel, de hoge geestelijkheid en de rijke burgerij.

Parijs trekt vele kunstenaars van verre aan, die invloeden vanuit hun streken meenemen naar de hoofdstad. Als zij tijdelijk of definitief naar hun vaderland terugkeren, zijn ze gevormd door wat ze in Parijs hebben gezien, geleerd en meegemaakt. Tekeningen, schetsen, losse miniaturen, handschriften en kleine geschilderde panelen zijn eenvoudig mee te nemen. Op deze wijze verbreiden de invloeden vanuit Parijs zich naar andere streken en vice versa. Door deze wederzijdse beïnvloeding ontstaat een internationale stijl, gekenmerkt door een groot raffinement en elegantie, die we kennen als de Internationale Gotiek.

Het werk

Voor hertog Jean de Berry maakten de gebroeders Van Limburg onder andere de wereldberoemde getijdenboeken Les Belles Heures en Les Très Riches Heures in de vijftiende eeuw. De gebroeders gebruikten hiervoor olieverf, wat voor die tijd revolutionair was in de schilderkunst. Hun meesterwerken werden in de vijftiende eeuw zowel in Frankrijk als daarbuiten veelvuldig nagevolgd. Niet voor niets worden de gebroeders Van Limburg gerekend tot de top-10 van de beroemdste kunstenaars aller tijden, naast onder meer Rembrandt en Michelangelo.


Vergetelheid en roem
Les Belles Heures en Les
Très Riches Heures behoren tot de kostbaarste voorwerpen binnen de nalatenschap van de hertog van Berry. Beide getijdenboeken kennen een lange geschiedenis, die slechts gedeeltelijk gereconstrueerd kan worden. Vaak wisselen deze handschriften van bezitter, maar blijven veelal enkel voor een paar bevoorrechte lieden toegankelijk. Dit bezorgt deze getijdenboeken uiteindelijk een cultstatus.

In 1954 komt Les Belles Heures vanuit de collectie van Baron Maurice de Rothshild terecht in The Cloisters, het aparte onderdeel van het Metropolitan Museum of Art te New York dat bedoeld is voor de presentatie van middeleeuwse kunst. Hier wordt het boek voor het eerst aan het grote publiek getoond. Les Très Riches Heures komt via de collectie van de hertog van Aumâle terecht in het Musée Condé in Chantilly, ten noorden van Parijs. Daar blijft het echter ontoegankelijk voor het publiek. In 1904 worden twaalf reproducties van het getijdenboek tentoongesteld en verschijnt de eerste monografie over het werk. In 1948 publiceert het Amerikaanse fotoblad Life de twaalf kalenderminiaturen uit het manuscript, hetgeen zorgt voor een grote publieke belangstelling.