UFO Van Eyck of UFO Jan Maelwael ?
Met wie begint de Nederlandse schilderkunst?
UFO Van Eyck landt eind deze week in Rotterdam. Zaterdag opent expositie ‘De weg naar Van Eyck’ in Museum Boijmans Van Beuningen. Een moedige poging om het begin van de Nederlandse schilderkunst in beeld te brengen. Moedig, omdat veel werken fragiel en kostbaar zijn en veel bronmateriaal ontbreekt. Maar de boodschappen, die het museum de afgelopen maanden over ‘de weg naar Van Eyck’ naar het grote publiek doorgeeft zijn inconsequent, of sterker nog: volkomen tegenstrijdig.
Aan de ene kant houdt het museum graag vast aan een adagium dat al heel lang opgeld doet: met Van Eyck begint de Nederlandse schilderkunst. Daarvóór was er niets. Deze stelling gaat terug op de beschrijving van Van Eyck in het Schilder-boeck van Karel van Mander uit 1604. Friso Lammertse, conservator van deze expositie, herhaalde het in DWDD van vorige week maandag nog maar eens: ‘Dit is echt het begin van de schilderkunst in de Nederlanden’. Daar sluit het UFO-verhaal bij aan. Nogmaals conservator Friso Lammertse:'Het werk van Van Eyck is weleens vergeleken met een UFO. Het is zo ongelooflijk knap, zo vernieuwend en het komt zo uit de ruimte de 15de eeuw binnenzeilen.' De Volkskrant blokletterde op 24 augustus boven een interview met Lammertse ‘UFO Van Eyck’ en ook daarin gebruikte hij dezelfde beeldspraak.
De andere boodschap van het museum staat hier haaks op en bewijst dat het werk van Van Eyck wel degelijk geworteld was in een ontwikkeling die al langer gaande was. Oftewel: het beeld dat Van Eyck plotseling uit het niets opduikt en daarmee aan het begin staat van de Nederlandse schilderkunst moet worden bijgesteld. Hij landde helemaal niet als een UFO in een leeg kunstlandschap. De vele vroege werken op de tentoonstelling bewijzen overtuigend dat er al rond 1400 een zelfstandige schilderkunst was gegroeid, waarop Jan van Eyck decennia later geniaal voortbouwde.
Blijft de vraag: met wie de Nederlandse schilderkunst dan wel is begonnen? Het antwoord hangt ook op deze expositie: sta eens stil bij het schilderij ‘Madonna met Kind en Engelen’ (‘Vlindermadonna’) uit 1410 van Johan Maelwael. Dit werk wordt beschouwd als het oudst bekende schilderij op doek in de noordelijke traditie. De verfijning, het realisme, zoals in details van de vlinders op de achtergrond of de mouw van de mantel van Maria die over de rand valt, zijn verbluffend. Vermoedelijk maakte dit doek deel uit van een tweeluik. Aan de linkerkant hoort waarschijnlijk een portret van Jan zonder Vrees, de hertog van Bourgondië, waarvan alleen een tekening en kopie bewaard is gebleven. Dit portret en andere, die Maelwael voor zijn opdrachtgevers Jan zonder Vrees en Philips de Stoute heeft gemaakt, zetten de portretkunst van Van Eyck in een geheel ander daglicht. Met hun donkere achtergrond, uitlichting en realisme blijken deze nauw aan te sluiten op die van Maelwael.

Wie was die Maelwael, die voor het Nederlandse grote publiek nog totaal onbekend is en niet of nauwelijks in de overzichten van de Nederlandse kunstgeschiedenis voorkomt? Johan Maelwael (ca. 1370) ontwikkelde zich in Nijmegen tot schilder in een familieatelier, dat al eerder een grote reputatie had opgebouwd. De familienaam Maelwael betekent immers: ‘schildert goed’. Het oud-Nederlandse woord ‘malen’ staat voor schrijven, tekenen, schilderen en ciseleren (in metaal reliëf aanbrengen, bijvoorbeeld voor wapenschilden of penningen), precies de vaardigheden die de jonge Johan in het atelier van zijn familie heeft geleerd. Binnen deze familie is prachtig de organische overgang zichtbaar van heraldiek naar de autonome schilderkunst, de overgang die onze taal het woord ‘schilder’ heeft opgeleverd. Johan Maelwael leerde van zijn vader Willem en oom Herman, in hun tijd bekende heraldische kunstenaars, hoe hij houten en metalen schilden moest decoreren, maar ook hoe hij op doek trompetvaandels, vlaggen en paardenkleden moest schilderen. Uit het ontwerpen van schilden ontwikkelde zich het schilderen, een werkwoord dat specifiek is beperkt tot het met verf bedekken. Van een UFO, een deus ex machina, is dan ook helemaal geen sprake, eerder van een geleidelijke overgang. In 1396 lezen we voor het eerst dat Johan Maelwael voor het Franse hof werkt, hoewel hij regelmatig naar Nijmegen terugkeert. Hij krijgt de naam Jean Malouel (Melluel, Melouel), waardoor zijn identiteit lang verborgen bleef. Bovendien zijn ondanks een hoge productie slechts enkele werken bewaard gebleven, zodat het zicht op zijn oeuvre is gemankeerd. Pas in 1954 werd in de Nijmeegse stadsarchieven door Friedrich Gorissen ontdekt dat Jean Malouel de Nijmegenaar Johan Maelwael moet zijn. In januari van dit jaar kocht het Louvre een paneel van zijn hand voor 7,8 miljoen Euro. ‘De belangrijkste aankoop van de afgelopen vijftig jaar’, zo meldde het museum.
Johan Maelwael haalde zijn Nijmeegse neven, Herman, Paul en Johan van Limburg naar Parijs. De jonge broers overvleugelden al snel de roem van hun oom en groeiden in korte uit tot de best betaalde kunstenaars van hun tijd. Hun getijdenboeken, de Belles Heures en de Très Riches Heures du Duc de Berry, getuigen vandaag de dag nog van hun superioriteit. Maar hun werk ontbreekt in Rotterdam. Jammer, want wie Van Eyck’s magnifieke miniaturen beziet uit de Très Belles Heures de Nôtre-Dame de Jean de Berry, ooit in het bezit van de broodheer van de Gebroeders van Limburg, snapt waar hij de mosterd haalde.
De relatie tussen het familieatelier Maelwael (vader Willem, oom Herman en zoon Johan Maelwael), de gebroeders Herman, Paul en Johan van Limburg en de gebroeders Hubert en Jan van Eyck verdient nader onderzoek. Voor een deel zijn het generatiegenoten: Jan van Eyck, de veel jongere broer van Hubert, is slechts vijf tot vijftien jaar na de broers Van Limburg geboren en vijfentwintig tot dertig jaar na Johan Maelwael. Ook geografisch waren de drie families niet ver verwijderd van elkaar. Maaseik, de geboorteplaats van de Van Eyck’s, ligt net onder het zuidelijkste puntje van het hertogdom Gelre, met Nijmegen als belangrijkste plaats. Boudewijn Bakker sluit zelfs de mogelijkheid niet uit dat Van Eyck zijn opleiding in Nijmegen heeft genoten, vanwege de aanwezigheid van de familieateliers Maelwael /Van Limburg. Een andere recente relatie tussen de families is gevonden in de artistieke overeenkomst tussen de Keizer- en keurvorstentekeningen uit het Wapenboek Gelre, mogelijk van de hand van Willem of Herman Maelwael, en miniaturen uit de Très Belles Heures de Nôtre-Dame de Jean de Berry, zoals de Confessores (nu in het Louvre).Het boek waarvoor later Van Eyck miniaturen heeft vervaardigd, toen het gebedenboek in handen kwam van de graaf van Holland.
Wat de relatie ook mag zijn geweest, zo veel is wel duidelijk dat voor de Nederlandse situatie de schilderkunst in Nijmegen zijn bakermat vond en om vervolgens internationaal uit te botten. De verovering van het landschap en het portret in de schilderkunst is door deze schilderfamilies in korte tijd gestalte gegeven.
Bedenk daarbij dat ook een derde bekend familieatelier in Nijmegen aanwezig was, die van de familie van Aken. Deze familienaam wordt ook gebruikt voor de familie Van Limburg (de vader van de broers komt in de archieven ook voor als Arnold van Aken) en duidt op eenzelfde geografische herkomst: het gebied tussen Aken en Luik. Drie generaties Van Aken werkten als kunstenaars in Nijmegen, voordat in de vierde generatie Jheronimus Bosch in ‘s-Hertogenbosch zijn befaamde oeuvre tot stand bracht.
In 2015 herdenkt Nijmegen 600 jaar Johan Maelwael en in 2016 600 jaar Gebroeders van Limburg. Den Bosch bereid al langer aan een ambitieuze viering van 500 jaar Jheronimus Bosch, eveneens in 2016.
Dat drie invloedrijke kunstenaarsfamilies zich in de late 14e eeuw in Nijmegen vestigden is niet zonder reden. Nijmegen, verpand Rijksstad en belangrijkste stad van het hertogdom Gelre, groeide door de riviervaart snel in welvaart. In 1402 werd de Waalstad officieel Hanzestad. De hertog van Gelre, Willem I van Gulik, groeide als jongeling uit tot Europese vorst van formaat. Hij bewoonde regelmatig de grootse burcht van de lage Landen, de Valkhofburcht, op een steenworp afstand van de ateliers Maelwael/Van Limburg. De bewoners van Gelre golden als de ‘snaphanen’ (type geweer) van West-Europa, die zich tegen de grootse vorsten teweer stelden. De kunstenaarsfamilies verwachtten dat zij door verhuizing naar Nijmegen konden delen in de groeiende welvaart en opdrachten verwerven van zowel het hertogelijk hof als de schippers en handelaren.
Beeldspraak als ‘UFO Van Eyck’ ontneemt ons het zicht op het feitelijk ontstaan van de Nederlandse schilderkunst met een unieke evolutie die niet beperkt bleef tot Van Eyck en niet tot Holland.
André Stufkens en Clemens Verhoeven
De eerste historische roman rond de gebroeders Van Limburg: Jehan. H... 2012
Studiemiddag over Gezondheid en ziekte in de middeleeuwen: de afstand tot de bron

Leden van de Medisch-historische Club D. de Moulin organiseren op donderdag 7 juni een studiemiddag met lezingen met borrel toe over de omgang met en de kijk op Gezondheid en ziekte in de Middeleeuwen. Dit in het kader van de samenwerking dmv medisch-historische activiteiten voor het Gebroeders van Limburgfestival van 24 tot en met 26 augustus. Kunnen we met zekerheid iets zinnigs zeggen over de omgang van onze voorouders met ziekte en gezondheid?
Eén ding komt heel duidelijk naar voren uit de beschikbare bronnen: middeleeuwers hielden zich intensief bezig met hun lichamelijke wel en wee.
Met lezingen over: Vrouwengeneeskunde, Pestilentiën in het laat-middeleeuwse hertogdom Gelre, Misverstanden over voeding, hygiëne en gezondheid in de middeleeuwen bij hedendaagse historische evenementen.
Donderdag 7 juni 2012, 15.30 – 18.00 uur
Locatie: Hippocrateszaal, route 77, Studiecentrum Medische Wetenschappen, Geert Grooteplein 21, Nijmegen. Zeer welkom voor allen.
Deelname kost € 10, inclusief catering !
In verband met de catering graag vooraf aanmelden bij mw. Marjolijn Klomp-Kooi,
e-mailadres m.klomp-kooi@pao.umcn.nl.
Opgeven is mogelijk tot en met 6 juni.
Klik voor meer informatie
lezing door Peter Raedts nav boek
donderdag 14 juni 2012, 20.00 - 22.00 uur, Collegezalencomplex Radboud Universiteit Nijmegen
entree € 10,-

Karel van Egmond, Hertog van Gelre: een Europees staatsman
Op 25 maart 1492 rijdt Karel van Egmond, Hertog van Gelre, Roermond en daarmee zijn hertogdom binnen, omgeven door Franse en locale edelen en met een Franse hulplegertje als escorte. Op de eerste dagvaart, gehouden in Nijmegen van 15-20 april 1493, worden de contouren van het beleid van Karel duidelijk. Het Hertogdom Gelre zal de komende vijftig jaar als laatste gewest weerstand bieden aan de machtigste Europese grootmacht, de Bourgondisch-Habsburgse heersers. Nijmegen zal de locatie zijn van vele politieke, feestelijke, militaire en familiaire bijeenkomsten van de Hertog en zijn gevolg en tot de dood van Karel in 1538 zou Nijmegen ook veelvuldig in het middelpunt van de Europese politiek staan. De Franse koningen zouden de komende decennia bijvoorbeeld geen belangrijk internationaal verdrag sluiten zonder Gelre en Karel er bij te betrekken en zijn hertogelijke titel te erkennen. De Habsburgse keizer sprak Karel daarentegen nooit met Hertog aan. Door zijn verzet tegen de Habsburgers en door de gunstige strategische ligging, omsloten en doorkruist door Europa’s grootste rivieren, was Gelre een belangrijke speler op het internationale toneel. Karel stond in direct contact met de belangrijkste Europese vorsten, hij was present bij de Italiaanse veldtochten van de Franse koning, Hendrik VIII van Engeland, de Schotse koning en de Paus erkenden zijn soevereine hertogelijke status en Karel was een kandidaat voor de hand van dochters van de belangrijkste Europese vorsten, waaronder zelfs Habsburgse prinsessen. Een rijke schare aan huwelijkskandidaten passeerde de revue, onder anderen Eleonora en Maria, dochters van Philips de Schone, Catharina van Habsburg en Johanna van Aragon. Uiteindelijk trouwde de hertog op 26 augustus 1518 met Elisabeth van Brunswijk-Lüneburg (1494-1572), de nieuwe Hertogin van Gelre.
Karel van Egmond, de laatste stamhouder van het hertogdom Gelre, werd geboren op 14 november 1467 in Grave, als zoon van Hertog Adolf van Egmond en Catharine van Bourbon, en overleed op 30 juni 1538. Het conflict tussen zijn vader Adolf en zijn grootvader, Arnold van Egmond, bracht het hertogdom in de invloedssfeer van het machtige Bourgondië. Uiteindelijk zou Karel de Stoute, laatste hertog van Bourgondië, met militair geweld in 1473 het Hertogdom veroveren en de jonge Karel naar Gent sturen om aan het Bourgondische hof op te groeien. De prominente status van de jonge Hertog, wiens vader in 1478, een jaar na Karel de Stoute, overleed, blijkt onder andere uit de protocollaire rang bij de begrafenis van Maria van Bourgondië in 1482, direct achter de Aartshertog, vóór alle andere Bourgondische edelen. Als vooraanstaand legeraanvoerder van Maximiliaan valt hij in 1487 in handen van de Fransen en hij wordt pas in 1492 vrijgekocht, nota bene door zijn latere tegenstander Maximiliaan. In 1491 wordt Karel zelfs nog opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies. Maximiliaan negeerde waarschuwingen dat Karel de soevereiniteit van zijn Hertogdom weer wilde herstellen en desnoods met geweld de Habsburgse-Bourgondische troepen wilde verdrijven.
Karel van Egmond, Hertog van Gelre (1467-1538) Foto: Historisch Museum Arnhem
Het ontbreken van wettige afstammelingen doet het hertogdom in 1538, bij de dood van Karel, echter de das om. Karel wilde koste wat het kost voorkomen dat het Hertogdom zou overgaan in handen van zijn grootste tegenstander, keizer Karel V. In 1528 was bij de Vrede van Gorcum immers bepaald dat het Hertogdom bij ontbreken van wettige afstammelingen (Karel was toen al 61 jaar) zou overgaan in Habsburgse handen. Karel zou deze afspraak echter snel betreuren en maakte een andere afspraak met zijn grote bondgenoot de Franse koning. De Staten van Gelre staken hier echter een stokje voor. Zij wilden noch in Habsburgse, noch in Franse handen overgaan. De Staten wilden de Hertog van Gulik en Kleef als nieuwe landsheer om op deze wijze zoveel mogelijk eigen identiteit en zeggenschap te behouden. Spoedig na het overlijden van Karel in 1538 bleek de nieuwe Hertog Willem II echter militair en diplomatiek slechts een schaduw te zijn van Karel en al in 1543 viel het doek met het Verdrag van Venlo. Het Habsburgs-Bourgondisch landencomplex is dan compleet en de zeventien provinciën zijn verenigd, zij het voor korte duur, want in 1581 scheidden zeven provincies zich al weer af.
De vijftig jaar die verlopen tussen de glorieuze intocht van Karel in 1492 en het verlies aan soevereiniteit in 1543 is het hoogtepunt van de diplomatieke en internationale politieke betekenis van Gelre en Karel is de onbetwiste hoofdpersoon in deze veelal vergeten geschiedenis. Er worden in deze periode maar liefst vijftien vredesverdragen gesloten tussen de Habsburgse keizer en Karel. Diverse keren buigen de machtigste Europese vorsten zich over deze kwestie. In 1495 laten de keurvorsten zich op de Rijksdag in Worms voor het eerst uit over het geschil tussen Habsburg en Gelre. Vele vorsten en geestelijken zullen daarna als arbiter volgen, bijvoorbeeld de aartsbisschop van Keulen, de Franse koning ( het Parlement van Parijs buigt zich zelfs over de zaak), de Schotse koning en de Hertog van Saksen.
Deze episode en de prominente internationale rol van Karel is onderbelicht en staat zelfs in een negatief daglicht. Dit komt omdat vooral Habsburgse en Bourgondische bronnen over Karel berichtten. Er zijn zeer weinig kronieken en andere media uit Gelre bewaard gebleven. Brabant, Holland, Vlaanderen en Henegouwen vochten onder leiding van de Bourgondische en later Habsburgse heersers tegen Gelre. Maarten van Rossem, Lange Pier en Karel werden als de gesel van deze gebieden gepresenteerd in contemporaine media. Uiteraard staan de plunderingen van Den Haag en de belegering van Amsterdam door de troepen van Karel in het middelpunt van de geschiedenisles van de lagere school. Deze oorlogsvoering was echter geen uitzondering, maar regel voor alle partijen. Als diplomaat, legeraanvoerder en succesvolle tegenstander van de Habsburgse keizer stond Karel juist in hoog aanzien bij de Europese vorsten. Ook in cultureel opzicht telde het hertogdom als middelgroot hof mee, zij het dat onder Karel de glorietijd al voorbij was. De tijden van Catharina van Kleef zouden niet herleven. De militaire en politieke overleving slokte na 1492 immers de meeste aandacht en middelen op.
In Nederland is het oordeel over Karel van Egmond, Hertog van Gelre, vaak te negatief, als hij al bekend is. Als middelgroot Hertogdom heeft hij bijna een halve eeuw zijn stempel gedrukt op het Europese diplomatieke en militaire toneel. Deze vooraanstaande Europese rol, zijn diplomatie, anekdotes, veldtochten, beoogde huwelijken en de culturele, militaire en politieke bloei en ondergang van Gelre, de laatste zelfstandige soevereiniteit van de Nederlandse provincies, verdienen meer aandacht en respect. De Hertog verdient zelfs een standbeeld.
Maarten Koning, The European Spectator (www.theeuropeanspectator.eu)
Geraadpleegde literatuur:
Evers, M., Frijhoff, W. Th.M., Nijsten, G., Thissen, B., Venner, G.H.A., Van Winter, J.M., (Red)., Het Hertogdom Gelre (Utrecht 2003)
Kalsbeek, G., De betrekkingen
IJspret in middeleeuws Nijmegen

De Stichting Gebroeders van Limburg was woensdag 8 februari met plm 10-15 middeleeuws geklede re-enactors aanwezig bij de bevroren vijvers onder de middeleeuwse kruittoren in het Kronenburgerpark te Nijmegen. Daar hebben we laten zien hoe de middeleeuwers omgingen met het ijs en al genoten van de voorlopers van onze huidige klapschaats. Monica Tielens en Robert Bos gaven uitleg over de toen gebruikte schaatsen, met name over de glissen ( dierenbotten) ,die aan de onderkant waren glad geslepen en over de toentertijd zeer populaire kolfsport, een soort voorloper van het ijshockey en golf.
Hierbij achtergrondinformatie verzameld door Robert Bos van de Stichting GVL
Achtergrond informatie
Het drukke middeleeuwse scheepvaartverkeer op de Waal ligt al weken stil. Nu de rivierstroming en dooi toenemen glibberen ijsschotsen over elkaar heen. Opgestuwd door de wind die pal op de Nijmeegse Waalkade staat. Schotsen stapelen zich huizenhoog op. De stadskraan, werf en losstaande huizen op de kade worden bedreigd. Nijmegenaren staan bovenop de stadswal om het schouwspel gade te slaan. Een durfal waagt zich zelfs op de krakende stapel ijsblokken. Geen ongewoon winters tafereel in vijftiende eeuws Nijmegen.
Verderop glijden Nijmeegse schaatsers op hun benen glissen over het havenijs en de zijkreekjes van de Waal. Op meertjes en poelen spelen kinderen en volwassenen kolf, een voorloper van het huidige golfspel. Een vierjarig kind drukt zijn prikslede te hard vooruit, tegen de enkel van de stadsrechter. Er brand een vuurkorf langs de wal waar mensen zich warmen. Kramers verkopen drinken en eten. IJspret in middeleeuws Nijmegen waar rijke en arme stedelingen op afkomen.
Schaatsen
De oudste ijzeren schaats die in Nederland, is gevonden, dateert uit de 13e eeuw. Een opgraving van een complete middeleeuwse smederij in Amsterdam bracht deze schaats aan het licht.

Ver voor die tijd schaatste men ook al, maar dan op dierenbotten of glissen.
Glissen werden gemaakt uit pijpbeenderen of het middenvoetsbeen van paard of rund, aan de onderkant glad geslepen, en voorzien van één of twee doorboringen. Daar haalde men pezen, leer, vlas of palingvellen doorheen om de schaats aan de schoen te bevestigen. De bewerkte lange zijde van het bot diende als glijvlak. Men bewoog zich voort door één of twee stokken, met daarin een spijker, tegen het ijs te duwen. De schaatser gleed dan over het ijs. Wanneer de schaats maar met één koord vastzat had je ongewild een voorloper van de klapschaats.
De glis was een goedkoop en eenvoudig te maken voorwerp dat vaak werd gebruikt zoals blijkt uit de honderden exemplaren die opgegraven zijn. Volwassenen en kinderen gleden op glissen, echter niet op maat gemaakt voor de schoen. Glissen bleven waarschijnlijk vanaf de 9e eeuw tot ver na de middeleeuwen in gebruik.
.jpg)
De Nijmeegse prediker Pater Brugman schreef in 1498 het boek 'Vita alme virginis Lijdwine' , waarin de oudste Nederlandse prent van schaatsers staat. We zien de ongelukkige val van de, later heilig verklaarde, Lidwina van Schiedam. De schaats die ze draagt is met ijzer beslagen.

Kolfen
De Kolfsport komt al voor in de twaalfde eeuw. Bij dit spel sloeg men met een houten stok, waaraan een loden uiteinde zat, tegen een bal. De stokken waarvan het handvat met leer werd omwonden, werden ook geheel uit hout gemaakt.
Bij deze voorloper van golf sloeg men de bal in zo min mogelijk slagen naar een houten paal.
Aanvankelijk werd dit spel door kinderen en mannen op het ijs gespeeld. Later ging men op lege kerkhoven of pleinen spelen. Ongelukken met laagvliegende ballen en schade aan huizen en kerken zorgden ervoor dat de meeste steden het spelen van kolf binnen de stad verboden. Er kwamen hoge boetes op overtredingen te staan.
Op vele gravures en winterschilderijen werd dit spel vanaf de vroege16e eeuw afgebeeld.
In 1530 zonk er in de Zuiderzee, op de plek waar nu Biddinghuizen ligt, een schip geladen met complete kolfstokken en haring. Toevallig heeft de Stichting Gebroeders van Limburg dit schip op het oog om te gaan repliceren. Middeleeuwse Nijmegenaren gingen vanaf Vlissingen de zee op en visten langs de kusten van Schotland en Engeland op haring. Ze laadden hun vangst in Dordrecht op platbodems over. In de 15e eeuw ontwikkelden Nijmeegse schippersen handelaren zich tot de grootste vervoerders van gekaakte haring op de Waal en Rijn.
Nederlanders vervoerden kolfstokken naar Schotland. Vanaf 1475 werden kolstokken onder meer in Middelburg vervaardigd. Zijn het wellicht ook Nijmegenaren geweest die kolfstokken vervoerden en dat typisch Nederlandse kolfspel in Schotland introduceerden? Nu is Schotland een gerenommeerd golfland.

Prikslee
De prikslee was voor kleine kinderen de ideale manier van voortbewegen op het ijs. Uit de kaak van een paard maakte men de slee. Het kind zat op een eikenhouten plank en bewoog zich voort door met prikstokken op het ijs te duwen. Op veel afbeelding ziet men dit sleetje terug, zoals rechtsonder op het schilderij van Frans Huys.
Afbeelding van een prikslee gemaakt van een dierenkaak.

Schilderij: Schaatsers voor de Sint-Jorispoort te Antwerpen, Frans Huys, 1558
Bronnen:
Schaatsmuseum: www.schaatsenmuseum.nl
- Archeologie in Vlaardingen: http://www.geschiedenisvanvlaardingen.nl
- Bikkel en Been: http://www.bikkelenbeen.com/
- Wikipedia: kolfen
- Rijksmuseum: www.cultuurwijzer.nl/nwc.rijksmuseumamsterdam
- Koninklijke Nederlandse kolfbond- http://colf-kolf.nl
- Het Kolfschip van Biddinghuizen. Bewerking van Het Biddinghuizer Colfschip, J.M.A.W. Morel, Cultuur Historisch jaarboek van Flevoland

De PR-actie leverde mooie historische beelden op ter afwisseling van en variatie op de overvloed aan hedendaagse winterse taferelen in de media.
Zie deze link met dank aan Willen Melssen:
http://s1133.photobucket.com/albums/m596/Glaswerk-home/Glaswerk/2012/Februari/GvL%20on%20Ice/?albumview=slideshow
























